Wat is indisch (2) ?

Als historische benamingen voor kleurlingen in Indië zijn ons in de oudere werken over Nederlandsch-Indië overgeleverd:  misties, poesties, kasties, kristies en toepas.

Wat men onder die termen, kristies uitgezonderd, verstond, vertelt Valentijn in Deel II pag. 256 van zijn bekend werk "Oud En Nieuw Oost-Indien": ‘De Mixstiçen zijn kinderen of van Hollandsche Vaders, en swarte Moeders (want noit heb ik daar kinderen van een blanke Moeder, en swarte Vader gesien, nog daar af gehoort) of wel van swarte Moeders en Portugeesche Vaders, die men Toepassen noemt, zijnde afsetsels der Portugeesen, die in de eerste tijden met eigen bewilliging hier gebleven zijn.

De eerste afsetsels van een Hollandsche Vader, en een swarte Moeder, noemt men Mixstiçen, zijnde vaal, en sommige al vrij bruin van kleur; de kinderen van een Mixstiçe en een Hollander, noemd men Poestiçen, en de kinderen van een Poestiçe en een Hollander, Castiçen, die bij na zoo blank, als een Hollander zijn, en na welke men de kinderen, uyt de volgende huwelijken voortkomende, weer onder de Hollandsche telt. Dit geslagt is, schoon meesten tijd niet zeer fraey (hoewel ik 'er eenige die schoon waren, onder gezien heb) zeer moedig en trots, zeer Tyrannig en onverdraagelijk wreed tegen hare slaven, schoon zij meest zelf van slaven afkomstig zijn’.

Zie ook:
- F.P.H. Prick van Wely, Neerlands taal in 't verre Oosten · dbnl
- Wim F. Wertheim - Koloniaal racisme in Indonesië


indo (halfbloed) M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek

In het koloniaal verleden werd dit beschouwd als een ietwat aanstotelijke en te vermijden afkorting van Indo-Europeaan, waarvoor men het woord ‘Indiër’ heeft ingevoerd. In Indische kringen zei men in het midden van de twintigste eeuw wel eens grappenderwijs dat indo een acroniem was van ‘In Nederland Door Omstandigheden’. Eigenlijk is een indo iemand van gemengd Europees en Aziatisch (maar ook Afrikaans) bloed. Een verdwaalde indo noemde men een indo kesasar. Thans allang geen scheldwoord meer. Jonge Indische Nederlanders gebruiken de term de laatste tijd zelfs meer en meer als geuzennaam, als uiting van trots over hun Indische identiteit. Indo werd al opgetekend in 1898. Bij de behandeling der Europeesche praktijk werd deze weer onderverdeeld in die bij de rasechte Hollanders, de vreemdelingen en de Indo’s, en elk dezer groepen nader besproken. (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 29/04/1918) Maar bovendien – en dit is de tweede oorzaak – de inlander ziet in den Indo slechts den bastaard; de Indo is voor hem ‘anak soendal’, (hoerekind), het voor den Indo meest grievende, want zijn moeder beleedigend, scheldwoord. (De Groene Amsterdammer, 07/01/1922).

Zie ook: etymologiebank.nl

Een andere verouderde (spottende) benaming voor indo is liplap: zie liplap op ethymologiebank.